Robert Anker

Via mijn dochter hoorde ik van zijn dood. Zou ik naar zijn begrafenis gaan? Ik had hem ten slotte ook niet zo heel goed gekend. En ik zie er altijd tegenop. Zo’n begrafenis. Eind januari. Gatverdamme. De reis, dit en dat, oude kennissen, dat reünie-achtige, ik wist het niet. Was hem toch in zekere zin enigszins schatplichtig. Op zijn voorspraak …

Kort Geding (1)

De personeelskamer maakte een gehavende indruk. Het liep tegen kerst. Vooral de vrouwelijke collega’s met kleine kinderen, maakten een vermoeide indruk. Nog een paar dagen voor de kerstvakantie. Petra kwam gehaast op me af. ‘Telefoon voor jou’. Ik keek haar quasi-verstoord aan. ‘Wie?’

April

We moesten maar eens gaan, zeiden we

Te paard

Te paard, te paard, we zijn verraden

Zink

Doe dat doosje nou eens dicht met al dat opgespaard chagrijn

Op het werk

Als je hier door de gang zou vliegen op een bezemsteel

Als het gebeurt

Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt en de dag breekt

In haar hand

Zij houdt hem een dag voor die nooit meer voorbij gaat

Let wel

Let wel, hoe de klaargekomen aap

In Memoriam Jeroen Willems: Jojo

Een eind weg

Bij een schilderij van Jan Mankes

Tropea

Dat we dit nooit zouden vergeten de schoonheid

Huiswaarts

Aan het einde van een mooie voorjaarsdag kwam de koning bij de rivier die stroomde langs de rand van zijn rijk.

Nu

Aan het nu ontbreekt eigenlijk alles

Vanmorgen in de dierentuin

Vanmorgen in de dierentuin gezien hoe een olifant met aandrang

Appeltjes van vroeger

Soms zegt haar stem iets anders dan zij zegt en fladdert paniek

’s Morgens vroeg

Een dichter in een pereboom. Over de poëzie van J.A. dèr Mouw.

Even wuiven misschien

Vrede is geen duif van honderd pond maar een opvanghuis voor onze gebreken

De woestijn zal bloeien als een roos. Over de poëzie van Hans Faverey